Stel: Je bent garagist en je hebt het voertuig van een klant hersteld. Wanneer de klant zijn voertuig komt ophalen, blijkt hij echter niet in de mogelijkheid om jouw factuur meteen te betalen. Zolang de factuur nog niet is voldaan, geef je het voertuig best nog niet uit handen. Door dit te doen, spoor je de klant niet alleen aan tot betaling, maar bescherm je jezelf ook tegen diens eventuele insolvabiliteit door beroep te doen op het zogenaamde retentierecht. Maar wat houdt dat precies in?
Wat is het retentierecht?
Het retentierecht verleent een schuldeiser (hierna ook: retentor) het recht om de teruggave van het goed, dat werd overhandigd door of bestemd is voor zijn schuldenaar, op te schorten zolang de schuldvordering die verband houdt met dat goed niet is voldaan.
Als dusdanig vormt het retentierecht een geoorloofde vorm van eigenrichting, waarvoor geen rechtelijke tussenkomst vereist is. De retentor beslist zelf, als aan de voorwaarden is voldaan, om het goed onder zich te houden, zonder dat die daartoe gemachtigd moet worden.
Hoewel het retentierecht vóór de invoering van de Pandwet[1] in verschillende wetten werd erkend en in een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek als toepassingsgeval voorkwam, ontbrak een algemeen wettelijk kader en werd het beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel. Met de wettelijke verankering in de artikelen 73 tot 76 van de Pandwet bracht de wetgever zowel rechtszekerheid en werden een aantal pijnpunten met betrekking tot de tegenwerpelijkheid en de rechtsgevolgen van het retentierecht weggewerkt.
Wat zijn de toepassingsvoorwaarden en de rechtsgevolgen van het retentierecht?
Het retentierecht is onderworpen aan de volgende vier toepassingsvoorwaarden.
- De retentor moet beschikken over een opeisbare schuldvordering en de schuldenaar blijft in gebreke om zijn verbintenis te voldoen.
- De retentor moet de feitelijke macht over de zaak hebben en deze op een normale en geoorloofde wijze hebben verkregen. Een retentor te kwader trouw geniet geen bescherming. Bovendien moet de feitelijke macht “bestendig” zijn: gaat de zaak teniet of geeft de schuldeiser de zaak vrijwillig uit handen, dan verdwijnt het retentierecht, tenzij wanneer de schuldeiser de zaak opnieuw krijgt via dezelfde rechtsverhouding. Met dit laatste verwijst de wetgever naar de mogelijkheid om het retentierecht conventioneel uit te breiden met een ondeelbaarheidsbeding[2].
- Er moet een nauw verband bestaan tussen de schuldvordering en de teruggehouden zaak. Denk aan werken die specifiek met betrekking tot het goed zijn geleverd, zoals een herstelling. Een verruimd retentierecht, dat die nauwe band als het ware doorbreekt, is echter niet uitgesloten en kan contractueel bepaald worden.
- De retentor moet het retentierecht ter goede trouw uitoefenen.
De retentor kan zijn recht tegenwerpen aan de andere schuldeisers van de schuldenaar, aan derden met een jonger recht én aan de curator (zie ook hierna). Het retentierecht is ook tegenwerpelijk aan derden met een ouder recht, op voorwaarde dat de retentor bij de ontvangst van het goed mocht aannemen dat de schuldenaar bevoegd was om het goed aan een retentierecht te onderwerpen.
Met de wettelijke verankering in de Pandwet werd aan het retentierecht overigens dezelfde preferentiële positie toegekend als aan het pandrecht, waardoor de retentor zich niet langer in een precaire situatie bevindt.[3] Net als de pandhouder heeft de retentor het recht om bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald uit de opbrengst van het goed, wat hem op vandaag in een uiterst bevoorrechte positie plaatst.
Wat is de impact van het faillissement van je schuldenaar op je retentierecht?
Voor de invoering van de Pandwet leidde het faillissement van een schuldenaar vaak tot een impasse in hoofde van degene die zich op een retentierecht beriep. De afgifte van de zaak leidde namelijk tot het verlies van het retentierecht, waardoor schuldeisers, met het oog op het behoud van hun recht, weigerden de goederen aan de curatoren over te dragen, terwijl ze de goederen zelf niet konden realiseren.
Hoewel de retentor vandaag nog steeds de afgifte van het goed kan weigeren, kan hij dankzij zijn preferentieel voorrecht met de curator overeenkomen om het goed waarop het retentierecht rust te laten verkopen. In dat geval zal de retentor zijn rechten kunnen uitoefenen op de opbrengst van de verkoop, overeenkomstig de afspraken die met de curator zijn gemaakt, en dit bij voorrang boven de andere schuldeisers[4].
De retentor moet, in tegenstelling tot de andere schuldeisers in samenloop, voor de uitoefening van zijn retentierecht geen aangifte van schuldvordering indienen in het passief van het faillissement. Overtreft de omvang van de schuldvordering evenwel de opbrengst van het goed, dan moet je voor het resterende bedrag uiteraard wel tijdig een aangifte indienen.
Een krachtig wapen
Kortom – het retentierecht biedt de schuldeiser een krachtig middel om betaling te bekomen en zich te wapenen tegen een nakende samenloop. Heb je hier verdere vragen over? Contacteer ons gerust.
[1] Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft, BS 2 augustus 2013, ook wel de Wet Roerende Zekerheden of de Pandwet genoemd
[2] Denk bijvoorbeeld aan de verwerkende nijverheid, waar vaak wordt bedongen dat alle goederen die voor bewerking worden toevertrouwd, als onderdeel van eenzelfde overeenkomst worden beschouwd en niet vatbaar zijn voor verdeling, zelf als de bewerking in opeenvolgende prestaties worden uitgevoerd. Op deze manier dienen de voor bewerking afgegeven goederen niet alleen als zekerheid voor de schuldvordering voortvloeiend uit de bewerking, maar ook voor eerder uitgevoerde prestaties op goederen die al aan de schuldenaar werden teruggegeven.
[3] Zo bestond in het verleden discussie over de aanspraken en positie van de retentor.
[4] Cass. 16 januari 2020, C.19.0298.N.


